Structuur is geen opmaakprobleem

Veel beleidsadviseurs denken bij structuur aan kopjes, alinea’s en een nette inhoudsopgave. Handig, zeker. Maar structuur zit niet in de vorm. Structuur zit in het denken achter de tekst.

Dat merk je meteen als je een beleidsstuk leest dat technisch klopt, maar toch niet lekker loopt. Je begrijpt de losse onderdelen wel, maar het geheel voelt rommelig. Alsof je steeds net te laat begrijpt waarom dit onderwerp nu aan bod komt. Dat ligt niet aan de lezer. Dat is een structuurprobleem.

Wat er misgaat vóór het schrijven begint

Structuurproblemen ontstaan meestal niet tijdens het schrijven, maar daarvoor. Op het moment dat je begint zonder heldere volgorde in je hoofd.

Bijvoorbeeld omdat:

  • de aanleiding niet scherp is,

  • het doel onderweg verschuift,

  • of omdat je tegelijk wilt informeren, overtuigen én afdekken.

Dan krijg je teksten waarin alles erin zit, maar niets echt op zijn plek valt. De lezer moet zelf de lijn ontdekken. En dat kost energie, zeker bij bestuurders, collega’s van andere afdelingen of samenwerkingspartners.

Een herkenbaar voorbeeld uit de praktijk

Stel: je schrijft een beleidsstuk over een nieuw programma in het sociaal domein. In de eerste pagina leg je uitgebreid uit hoe het huidige beleid is ontstaan. Daarna beschrijf je maatschappelijke ontwikkelingen. Vervolgens introduceer je het nieuwe programma. En pas helemaal aan het eind staat wat er eigenlijk besloten moet worden.

Inhoudelijk klopt alles. Maar voor de lezer voelt het alsof hij eerst een halve wandeling moet maken voordat hij weet waar hij is beland. Veel lezers haken daar af. Niet omdat ze het niet kunnen volgen, maar omdat ze niet weten waarom ze dit nu lezen.

Structuur helpt de lezer oriënteren

Een goede structuur doet één belangrijk ding: hij helpt de lezer zich te oriënteren.

De lezer wil al vroeg antwoord op vragen als:
Waarom ligt dit stuk hier?
Wat is de kern?
Wat moet ik hiermee?

Als je die vragen pas halverwege beantwoordt, voelt de tekst zwaar. Zelfs als de zinnen helder zijn. Goede structuur betekent dus niet: alles netjes indelen. Het betekent: de lezer op het juiste moment de juiste informatie geven.

Begin niet bij het begin, maar bij het punt

Veel beleidsstukken beginnen chronologisch: eerst de aanleiding, dan de context, dan de analyse. Logisch vanuit de schrijver, maar niet altijd vanuit de lezer. De lezer wil eerst weten waar het stuk over gaat en wat de inzet is. Daarna pas hoe het zo is gekomen.

Dat vraagt soms om een andere volgorde dan je gewend bent. En om durven kiezen: wat moet de lezer nu weten, en wat kan later?

Structuur dwingt je tot keuzes

Een goede structuur legt genadeloos bloot waar je nog twijfelt. Als je niet weet waar een alinea hoort, is de kans groot dat je inhoudelijk nog geen keuze hebt gemaakt.

Dat is ongemakkelijk, maar ook waardevol. Structuur is geen cosmetische stap aan het eind. Het is een denkstap die je helpt scherp te krijgen wat je eigenlijk wilt zeggen. En dat merk je terug in de tekst: minder herhaling, minder omwegen, meer rust.

Waarom structuur vaak onderschat wordt

Structuur voelt voor veel beleidsadviseurs als iets technisch. Iets wat je ‘pas kunt doen’ als de tekst er ligt. Maar in de praktijk bepaalt structuur of een beleidsstuk gelezen, begrepen en gebruikt wordt.

Zeker bij gemeentelijk beleid, waar teksten vaak meerdere lezers hebben, is structuur geen luxe. Het is een voorwaarde om iedereen mee te krijgen, zonder alles dicht te plakken met toelichtingen en uitzonderingen.

Tot slot

Een goed gestructureerde beleidstekst leest niet alleen prettiger. Hij geeft ook vertrouwen. De lezer voelt: hier is over nagedacht. Dit klopt. Dit kan ik volgen.

Structuur is dus geen opmaakvraag en geen schrijftip. Het is een manier van denken die je helpt om beleid helder, logisch en overtuigend over te brengen. En dat begint al vóór je de eerste zin schrijft.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.