De vraag achter de vraag: waarom beleid vaak langs de lezer heen schrijft
“Kun je hier even een notitie over maken?” Of: “We hebben iets nodig voor het college.”
Lees hier de gratis en waardevolle tips over het schrijven van duidelijke en begrijpelijke beleidsstukken. Handig ingedeeld in vier overzichtelijke categorieën:
“Kun je hier even een notitie over maken?” Of: “We hebben iets nodig voor het college.”
Misschien herken je dit: je werkt aan een beleidsstuk dat naar het college gaat, daarna naar de raad, ondertussen wordt meegedacht door collega’s, en uiteindelijk moeten inwoners of uitvoeringspartners er ook iets mee.
Je schrijft een beleidsstuk. Over iets belangrijks. En je weet: verschillende mensen lezen dit. Je collega van een andere afdeling. Je teamleider. Een jurist. Een wethouder. Misschien een raadslid. En mogelijk ook nog een paar inwoners, partners of een journalist. Ze lezen allemaal dezelfde tekst… maar ze willen allemaal iets anders weten. Geen wonder dat je als schrijver denkt: hoe houd ik iedereen tevreden?
Soms lijkt het schrijven van een beleidstekst vooral een kwestie van beginnen. Je opent een leeg document, je typt de titel, en je gaat aan de slag. Want: het stuk moet af. Het onderwerp is helder, de informatie heb je verzameld, dus je kunt schrijven. Maar juist op dat moment ontbreekt er vaak iets essentieels.
Veel beleidsadviseurs schrijven zoals ze het hebben geleerd op hun opleiding. Dat is logisch. Je begint met een vraag of probleem, beschrijft het proces, onderbouwt je keuzes en trekt aan het eind een conclusie.
Veel beleidsadviseurs denken bij structuur aan kopjes, alinea’s en een nette inhoudsopgave. Handig, zeker. Maar structuur zit niet in de vorm. Structuur zit in het denken achter de tekst.
Misschien herken je dit: je werkt met meerdere collega’s aan een beleidsstuk. Iedereen schrijft zijn eigen stukje. De ene begint met achtergrondinformatie, de ander duikt direct in maatregelen. Hier en daar zie je dubbele passages, of juist gaten. Jij plakt alles aan elkaar – maar het voelt niet als één geheel.
Een tekst kan inhoudelijk nog zo goed zijn, zonder duidelijke opbouw komt je boodschap niet over. Je lezer dwaalt af, raakt de draad kwijt of haakt helemaal af. En dat terwijl jij er wél alles in hebt gestopt: de aanleiding, de analyse, de oplossing.
Misschien herken je dit: je leest een beleidsstuk en komt zinnen tegen als “Er wordt ingezet op het faciliteren van de sociale basis.” Of: “Het beleid wordt uitgevoerd met betrokkenheid van partners.”
Beleidsstukken staan er vol mee: vaagtaal en containerbegrippen. Denk aan woorden als sociale basis, het voorliggend veld, integrale aanpak of verbinding. Het klinkt beleidsmatig en iedereen knikt instemmend.
“Dat is toch jip-en-janneke-taal?”
Misschien herken je dit: je leest een beleidsstuk en komt zinnen tegen als “Er wordt ingezet op het faciliteren van de sociale basis.” Je leest het nog eens. En nog een keer. Maar wat staat er nou eigenlijk? Wie doet wat? En wat gaat er concreet gebeuren?
Je hebt er uren aan gewerkt. Je beleidsstuk is klaar: alle informatie klopt, de zinnen lopen lekker, de deadline is gehaald.
Beleidsteksten zijn vaak zorgvuldig opgebouwd, goed doordacht en inhoudelijk sterk. En toch haken lezers af. Of ontstaat er verwarring, vertraging of discussie - niet over de inhoud, maar over de formulering. Hoe kan dat?
Liever een compleet overzicht? Lees mijn gratis e-book
Beter beleid schrijven - in 5 stappen naar een sterk beleidsstuk.