Misschien herken je dit: je werkt aan een beleidsstuk dat naar het college gaat, daarna naar de raad, ondertussen wordt meegedacht door collega’s, en uiteindelijk moeten inwoners of uitvoeringspartners er ook iets mee.
Dus probeer je het zo te schrijven dat iedereen het kan lezen.
En precies daar gaat het vaak mis. Want een tekst die voor iedereen bedoeld is, is meestal voor niemand echt duidelijk.
Waarom “voor iedereen” zo logisch voelt
Schrijven voor iedereen voelt zorgvuldig. Zo sluit je niemand uit en doe je niemand tekort. Bovendien:
-
iedereen heeft een mening
-
iedereen leest mee
-
iedereen wil zich herkennen
Dus voeg je extra uitleg toe. En nog een nuance. En nog een toelichting.
Tot de tekst veilig voelt, maar ook steeds vager wordt.
Wat er misgaat als je geen echte lezer kiest
In beleidsteksten zonder duidelijke primaire lezer zie je vaak hetzelfde gebeuren:
-
De tekst legt dingen uit die sommige lezers allang weten
-
Tegelijk ontbreken essentiële keuzes voor besluitvorming
-
De toon is nergens echt passend
-
De structuur mist richting: waarom staat dit hier?
Voor de lezer voelt het alsof hij moet zoeken naar de bedoeling. En dat is precies wat je níét wilt in beleid.
Eén primaire lezer kiezen is geen uitsluiten
Dit is een belangrijk misverstand: één lezer kiezen betekent niet dat je andere lezers negeert. Het betekent dat je bepaalt wie je voorop zet bij keuzes in:
-
toon
-
detailniveau
-
volgorde
-
uitleg
Andere lezers kunnen prima meelezen, zolang duidelijk is voor wie de tekst in de eerste plaats is geschreven.
Wat betekent dat concreet?
Een paar voorbeelden:
-
Schrijf je primair voor de raad?
Dan draait het om keuzes, gevolgen en afwegingen. Minder proces, meer besluit. -
Schrijf je voor collega’s?
Dan zijn uitvoerbaarheid, rolverdeling en planning cruciaal. -
Schrijf je voor inwoners?
Dan wil je begrijpelijke taal, context en voorbeelden - geen beleidslogica.
De inhoud kan grotendeels hetzelfde zijn. Maar de manier waarop je het opschrijft, verschilt enorm.
Hoe kies je die ‘echte’ lezer?
Deze vragen helpen vaak meer dan eindeloos afstemmen:
-
Wie moet hier uiteindelijk een besluit over nemen?
-
Wie moet hierna iets gaan doen?
-
Wie mag dit níét verkeerd begrijpen?
Het antwoord op die vragen wijst vrijwel altijd naar één primaire lezer.
Wat levert het op als je wél kiest?
Beleidsstukken met een duidelijke primaire lezer:
-
hebben een scherpere structuur
-
bevatten minder vaagtaal
-
roepen minder vragen achteraf op
-
versnellen besluitvorming
Niet omdat ze simpeler zijn, maar omdat ze gerichter zijn.
Tot slot
Goed beleid begint niet met schrijven. Het begint met kiezen.
Zolang je probeert te schrijven voor iedereen, blijft je tekst zoeken naar houvast.
Pas als je kiest voor één ‘echte’ lezer, krijgt je beleid richting, helderheid en overtuigingskracht.
En nee — “voor iedereen” is zelden het juiste antwoord.
Reactie plaatsen
Reacties