Frisse blik gezocht: waarom je altijd iemand van buiten je team moet laten meelezen
Je hebt er uren aan gewerkt. Je beleidsstuk is klaar: alle informatie klopt, de zinnen lopen lekker, de deadline is gehaald.
Je hebt er uren aan gewerkt. Je beleidsstuk is klaar: alle informatie klopt, de zinnen lopen lekker, de deadline is gehaald.
Beleidsteksten zijn vaak zorgvuldig opgebouwd, goed doordacht en inhoudelijk sterk. En toch haken lezers af. Of ontstaat er verwarring, vertraging of discussie - niet over de inhoud, maar over de formulering. Hoe kan dat?
Misschien herken je dit: je leest een beleidsstuk en komt zinnen tegen als “Er wordt ingezet op het faciliteren van de sociale basis.” Of: “Het beleid wordt uitgevoerd met betrokkenheid van partners.”
Beleidsstukken staan er vol mee: vaagtaal en containerbegrippen. Denk aan woorden als sociale basis, het voorliggend veld, integrale aanpak of verbinding. Het klinkt beleidsmatig en iedereen knikt instemmend.
“Dat is toch jip-en-janneke-taal?”
Misschien herken je dit: je leest een beleidsstuk en komt zinnen tegen als “Er wordt ingezet op het faciliteren van de sociale basis.” Je leest het nog eens. En nog een keer. Maar wat staat er nou eigenlijk? Wie doet wat? En wat gaat er concreet gebeuren?
Veel beleidsadviseurs schrijven zoals ze het hebben geleerd op hun opleiding. Dat is logisch. Je begint met een vraag of probleem, beschrijft het proces, onderbouwt je keuzes en trekt aan het eind een conclusie.
Veel beleidsadviseurs denken bij structuur aan kopjes, alinea’s en een nette inhoudsopgave. Handig, zeker. Maar structuur zit niet in de vorm. Structuur zit in het denken achter de tekst.
Misschien herken je dit: je werkt met meerdere collega’s aan een beleidsstuk. Iedereen schrijft zijn eigen stukje. De ene begint met achtergrondinformatie, de ander duikt direct in maatregelen. Hier en daar zie je dubbele passages, of juist gaten. Jij plakt alles aan elkaar – maar het voelt niet als één geheel.
Een tekst kan inhoudelijk nog zo goed zijn, zonder duidelijke opbouw komt je boodschap niet over. Je lezer dwaalt af, raakt de draad kwijt of haakt helemaal af. En dat terwijl jij er wél alles in hebt gestopt: de aanleiding, de analyse, de oplossing.
“Kun je hier even een notitie over maken?” Of: “We hebben iets nodig voor het college.”
Misschien herken je dit: je werkt aan een beleidsstuk dat naar het college gaat, daarna naar de raad, ondertussen wordt meegedacht door collega’s, en uiteindelijk moeten inwoners of uitvoeringspartners er ook iets mee.